
Op 25 april 1794 werd Poperinge definitief in bezit genomen door de troepen van de Franse Republiek. Daarmee begon een periode van ruim 20 jaar Frans bestuur waarbij op alle niveaus van de samenleving vernieuwende maatregelen werden getroffen. Die renovaties werden meestal niet erg enthousiast onthaald (o.a. het conscriptiestelsel).
Om het nuttige aan het aangename te koppelen werd door Napoleon bij decreet van 19 februari 1806 bevolen om jaarlijks een feest, Fête des Rosières, te organiseren ter herinnering aan zijn keizerskroning. Dit feest moest in bepaalde gemeenten en steden (o.a. in Poperinge) worden gevierd op de eerste zondag van december.
Concreet werd bepaald dat tijdens het Fête des Rosières een jong meisje en een oud-soldaat uit het Napoleontisch leger door de burgemeester en de gemeenteraad aangeduid moesten worden om met elkaar te huwen.
Er diende vooral rekening te worden gehouden met de goede zeden van het aanstaande bruidspaar en met het voorbeeldige gedrag van hun families. De twee uitverkorenen moesten huwen op voormelde dag en ze zouden een huwelijksgeschenk, waarvan het bedrag relatief hoog lag, ontvangen dat uit de stadskas werd geput.
Op de vooravond van het feest werd de plechtigheid aangekondigd door een salvo geweerschoten en een uur klokkengeluid op de drie kerktorens. 's Zondags werd het gekozen meisje door de burgemeester per koets ten huize afgehaald en samen met de bruidegom naar het stadhuis gevoerd. Na de huwelljksplechtigheid werd hun het geschenk overhandigd en begaf het gezelschap zich, voorafgegaan door het muziekkorps, van de Garde Nationale naar de Sint-Bertinuskerk.
Tussen de middag werd voor de jonggehuwden en hun ouders een uitgebreid banket georganiseerd.
's Avonds werd het feest beëindigd met een verlichting van de openbare gebouwen en een concert vanop het balkon van het stadhuis, verzorgd door het muziekkorps van de Garde Nationale.
Na deze kortstondige stroomversnelling in de politieke wereld, die toch ook haar goede kanten had gekend op industrieel vlak (vooral de schoennijverheid), kwamen we onder een vreedzamer regime terecht. Stilaan bereikte het onderwijsnet zijn voltooiing. Het Latijns College was na een korte verdwijning tijdens de revolutie, opnieuw op volle toeren gaan draaien. Het was nochtans verhuisd van de Gasthuisstraat naar het Burg. Bertenplein waar het vanaf 1832 een onderkomen vond in het huis van de vroegere burgemeester Soulié. In de Boeschepestraat was in 1805 een nieuwe armenschool gesticht door Marie-Joseph Devos, die onder de hoede kwam te staan van de zusters Paulienen.
Dat er geen vuiltje meer aan de lucht was is ook niet waar. De arbeider had nog steeds een hard leven om zijn kost te verdienen. Van epidemieën (cholera) en hongersnood (mislukte aardappeloogst 1848) werd hij ook niet gespaard.